De Zierenberg Sonata

door Quinten van den Broeck

8/31/202519 min read

Ik dacht dat ik al één en ander wist over dromen; over hoe je je leven kan dromen en vervolgens die dromen kan beleven. Anderhalf jaar lang had ik door Zuid-Amerika gereisd, alleen maar mijn eigen goesting en mijn eigen verlangens achterna. Om terug te leren dromen met je eerst en vooral vrij zijn. En daarvoor moet je veel tijd met jezelf doorbrengen. Jezelf bevrijden van alle verwachtingen die anderen je bewust of onbewust hebben opgelegd. Langzaam komen in die stilte dan je diepste zielsverlangens naar boven geborreld. Ze beginnen klein, maar groeien naarmate je ze voedsel geeft. Tot je op een gegeven moment dromen begint te vervullen die je nooit voor mogelijk had beschouwd. En wanneer je dat soort dromen begint te beleven, gaat het leven zelf als een droom aanvoelen. Niks is nog toevallig, alles lijkt mee te bewegen. Je bent de onbetwiste hoofdrolspeler van je eigen leven. Het universum werkt met je mee.

Na een aantal grote dromen in vervulling te doen gaan, dromen die me naar de andere kant van de wereld hadden gebracht, ver verwijderd van vrienden en familie - vrij, maar onthecht - had ik me voorgenomen om me toe te leggen op een aantal kleine, bescheiden, langzame dromen die me zouden toelaten honkvast te zijn, aanwezig voor de mensen, de gemeenschap om me heen. Het was op zo’n moment dat ik Charlotte terug tegenkwam.

Charlotte vertelde me over haar droom. Ze had samen met een Iraanse muzikant een voorstel ingediend voor een wind kunstfestival ergens in Duitsland. Het moest een tempel van bamboe worden die zou fluiten in de wind. Ik wist niks van bamboe en nog minder over fluiten. En de enige wind kunst die ik maak zijn de zeer luide, langgerekte scheten die ik op begenadigde dagen produceren kan. Maar ik raakte geïntrigeerd door haar filosofie. Tijd doorbrengen al bouwend in de elementen. Connectie maken met het landschap. Op een bewuste manier mensen samen brengen. Er samen iets mee maken, zonder dwang, al spelend creëren, iedereen uitnodigen zichzelf te zijn en iets van zichzelf te steken in het project. Het beloofde een experiment te worden van anarchistische organisatie. Ik was verkocht. Ik besloot een dromer te volgen en belandde in een droom. En het was zo dat ik leerde dat je dromen ook samen kan dromen en dat ze even intens, wonderbaarlijk en mysterieus kunnen worden als die grote dromen waarvan ik was gaan geloven dat ze de mensen ofwel wegduwen ofwel versmachten.

Het windkunstfestival vond plaats in Zierenberg. Een pittoresk dorp in centraal Duitsland, gelegen in een idyllische vallei omgeven door heuvels en bos. De heuvel waarop we onze bamboetempel zouden bouwen was magnifiek. Een glooiende bloemenweide die baadt in de zon, een oude wilg die schaduw biedt, een vulkanische heuvel van waarachter de maan ‘s avonds haar opwachting maakt en beneden in het dal Zierenberg, gezapig en tijdloos, gedomineerd door zijn robuuste kerktoren. Deze heuvel werd ons heiligdom. Hier zouden we onze tempel bouwen terwijl we onze huid lieten bruin branden door de zon. Hier zouden onze zielen elkaar raken.

Ali had het project uitgewerkt rond een gedicht van Rumi. Hij was opgegroeid met die gedichten. Hij was uit Iran naar België gevlucht om zijn militaire dienstplicht te ontlopen. Hij had veel last van heimwee, zag bovendien af van een gebroken hart. Misschien had hij daarom het gedicht over het rietbed gekozen; een gedicht dat over ontheemde rietstengels gaat die huilen in de wind, verlangen naar de verloren geborgenheid en eenheid van het rietbed van waar ze geoogst werden. Ali was erbij toen we de bamboe gingen oogsten in België. Hij was te laat en toen hij eindelijk arriveerde was het alsof hij het gewicht van de wereld op zijn schouders droeg. Maar terwijl hij gehuld in zijn melancholisch stilzwijgen met ons meewerkte en de geoogste bamboe van bladeren en twijgjes ontdeed met lange halen van zijn machete, veranderde er iets in hem. Alsof hij niet alleen de bamboe, maar ook zijn ziel gepolijst had tijdens die meditatieve monotone arbeid. Hij was verlamd geweest door vertwijfeling. Eén dag van deugddoende arbeid op een zonovergoten zomerdag had de mist in zijn hoofd doen opklaren.

De twijfel was nog steeds groot tijdens die eerste paar dagen op de heuvel. Ali had het initiatief genomen, dit vreemde kunstfestival ontdekt en Charlotte overtuigd om samen met hem een inzending te doen. Maar Charlotte was de drijvende kracht die ons tot in Zierenberg had gebracht. Het was zij die een team van vrijwilligers had verzameld, de plannen had getekend en de logistieke puzzels had opgelost om van het concept een project te maken. Het contrast in energie kon bijna niet groter zijn. Charlotte vol passionele overtuiging, haar twijfels voor iedereen verborgen; Ali mistroostig en verteerd door wanhoop, zich luidop afvragend of er wel genoeg wind zou zijn om zijn in bamboe gekerfde fluiten te doen zingen. Een amusant duet tussen een drammende flamencogitaar en een weifelende fagot.

Maar op de derde dag, de dag dat de volle maan door de wolken brak, hoorden we de fluiten voor het eerst zingen. Iets wezenlijk veranderde in dat moment. Ik was er getuige van hoe Charlotte en Ali naast elkaar zaten tussen het bos van bamboefluiten. Hoe het begon te zingen toen er een sterke avondlijke bries opstak. Hoe het exact klonk als het geweeklaag van rietstengels die heimwee hebben naar het moederlijke rietbed. Hoe volmaakt het uitdrukking gaf aan de gevoelens van weemoed en verlangen van Ali. En hoe fel de maan scheen vanachter de snel bewegende wolkensluiers. Een wolk in de vorm van een arend. Een uil die riep in de verte en een teder gesprek tussen twee vrienden. Twee rietstengels uit een ander rietbed ontheemd die een beetje thuiskomen bij elkaar in een moment dat voor eeuwig in de ziel staat gegrift. Van dat alles mocht ik getuige zijn en ik zweer het: wat daar plaatsvond was niet meer of niet minder dan pure alchemie: de alchemie van de ziel; de versmelting van twee zielen die elkaar verheffen, doen transformeren tot iets meer. Charlotte, de felle maan die Ali de moed gaf om zijn lied te zingen. Het lied van Ali dat de maan opnieuw leerde voelen. Twee kunstenaars die vriendschap smeden tot kunst en omgekeerd. Twee mensen die elkaar meer mens maken.

De bamboetempel bestond uit zes koepels, elke koepel uit drie bogen. Zes koepels voor zes mensen: Charlotte, Ali, Lucas, Silas, Mattijs en ikzelf. Net als de zes mensen hadden ook de zes koepels elk hun persoonlijkheid. Ze werden niet alleen geoogst, gebonden en gebogen met onze eigen handen - ze werden ook met betekenis bezwangerd door de momenten die we er rond en er onder creëerden. De eerste koepel werd Slightly Stupid gedoopt. Hij was minder rond gebogen dan de anderen. Er zat een beetje een kink in. Hij kwam symbool te staan voor die eerste aarzelende avonden van elkaar leren kennen, het ontstaan van de eerste inside jokes - slightly stupid - de luchtige zelfrelativerende onnozelheid die iedereen de ruimte gaf zichzelf te zijn. Het idee van de tempel was dat de koepels in een spiraalvorm bewegen naar een centrum: het oog van de storm. En net zoals de storm intenser wordt naarmate je er dieper in beweegt, zo werden in de loop van de dagen de momenten die we samen deelden in en rond de nieuw gebouwde koepels steeds dieper en intiemer.

De tweede boog werd voltooid op de dag van de volle maan. Haar naam werd Luna. Bij de ondergaande zon speelde Ali op zijn dwarsfluit onder haar gewelf. De rest van ons keek in vervoering toe. Het begon ons toen te dagen wat voor een onwaarschijnlijk mooie plek dit Zierenberg was en wat voor krachtige magie zich hier aan het voltrekken was.

Onder de derde boog hadden we een feestje. Het was hier dat Charlotte ons onze t-shirts gaf. Het was de geboorte van haar bedrijf. Van nest. Nido. Het was ook de eerste avond dat we door de telescoop van Mattijs keken. We zagen de maan, in al haar grillige glorie. We zagen Saturnus met haar ring en haar manen. Ik zag Iapetus, een ijsmaan die op drieënhalf miljoen kilometer afstand in het grote niets rond Saturnus zwerft. En we vonden ook de Hercules cluster: een verzameling van tweehonderd sterrenstelsels, 25.000 lichtjaar van ons vandaan. We keken lang en ver in de peilloze diepten van het heelal en ontdekten dat wie leert kijken alsmaar meer sterren ziet. Hetzelfde principe geldt voor mensen: hoe langer en aandachtiger je blijft kijken, hoe meer mens, hoe meer schoonheid je ziet.

Ook de bloemen op onze heuvel leken elke dag in aantal toe te nemen. Ik werd me ook dag na dag bewuster van de wind. Hoe ze de grassprieten en bloemen deed wiegen, dansen bijna. Hoe ze mijn huid streelde, de bladeren van de bomen deed ruisen in de wind, elk blad zijn eigen verhaal, zijn eigen geluid. Op een bloedhete dag zochten we de schaduw op onder de brede kruin van de oude wilg. Dankbaar voor de luwte die hij ons bracht, bewonderden we dit mysterieuze wezen. Silas legde uit hoe bomen niet uit de grond, maar uit de lucht groeien. Dat ze voor meer dan tachtig procent uit koolstof bestaan dat ze uit de lucht halen, door de koolstofdioxide af te breken die de wind haar toe waait. Het was de eerste keer dat ik besefte dat bomen van lucht en zonneschijn gemaakt zijn. Hoe langer ik op deze wereld ben, hoe meer ik het gevoel krijg dat ik er niets van begrijp, me in het midden van een langdradige, absurde mop bevind die verzonnen wordt terwijl ze wordt verteld, en waarvan de clou me maar blijft ontgaan.

En terwijl we daar gezellig zaten met zijn allen in de lommert onder zijn takken, was deze oude wilg, dit schepsel van de wind, er getuige van hoe Ali als een profeet van de heuvel neergedaald kwam, ons vergezelde en elks van ons een gedicht van de Soefi mysticus Hafez voorlas. Elk gedicht een herinnering aan wie we altijd al waren en wat we in dit leven komen doen. Een beroep op de waarheid die we reeds kenden omdat ze in onszelf zit.

De vierde koepel werd rechtgezet op de vooravond van de nacht waarop de perseïden storm op zijn hoogtepunt was. Het was de warmste dag van onze Duitse zomer en we brachten de nacht door onder de blote sterrenhemel. De koepel was ons hemelbed. De fluiten waren op zo’n manier tussen de verschillende bogen bevestigd dat ze het sterrenbeeld Casiopeia spiegelden. We zagen meer vallende sterren dan we wensen hadden. De overweldigende rijkdom van het moment had onze verlangens ingehaald. De wereld was voor even volmaakt.

En zo kabbelden de dagen voort. Van het ene moment van volmaakt samenzijn naar het volgende. De dag beginnen en samen de afwas doen, koffie zetten, brood kopen, het ontbijt voorbereiden, … Het was alsof elke banale handeling met de dag rijker, betekenisvoller werd. De liefde tussen deze zes willekeurig bij elkaar verzamelde mensen groeide samen met de tempel in bamboe die we aan het bouwen waren. Het eten smaakte steeds beter, de gesprekken werden dieper, de knuffels en oogcontact momenten werden steeds langer en intiemer; de jamsessies en improvisaties alsmaar ontroerend schoner en bevrijdender en mijn scheetmoppen steed slechter - al weerhield dat niemand ervan om er smakelijk mee te blijven lachen.

We waren met z’n allen verwikkeld in een melodie, een langgerekte improvisatie waarin al onze respectievelijke persoonlijkheden in perfecte harmonie tot hun volle recht kwamen. De laatste twee bogen bouwden we nog bewuster dan de vorige. Van elke handeling genietend, wetende dat het straks voorbij zou zijn. Want het einde naderde. Lucas en Silas bouwden een meditatieplatform. Lucas voorzag de laatste koepel - het oog van de storm - van een hoofdsteun in macreamé. Hij deed het met zo’n toewijding en aandacht dat het een liefdesverklaring was.

Op onze laatste avond samen maakten we tot diep in de nacht muziek. Deze keer waren er geen muzikanten en toeschouwers, iedereen was beide tegelijk. Zelfs een onbehouwen muzikale analfabeet als mezelf slaagde er in om mee te jammen. En zelfs de soms zo behoedzame jonge samurai-vikinggod Silas liet ongegeneerd in zijn grote hart kijken en zong uit volle borst zijn eigen lied. En misschien nog het meest wonderlijke van allemaal: Lucas en Mattijs, die eerste avond beide nog te verlegen om een gitaar vast te houden, geïntimideerd door het genie van Ali, het vuur van Charlotte, ontpopten zich nu tot ware gitaargoden die ons in een Dionysische roes brachten. In het midden van de spiraal van bamboeschelpen gezeten, bereikten we zo samen een climax, een muzikaal orgasme dat de culminatie was van bijna twee weken samen werken, samen leven en samen genieten. Toen we uitgezongen waren bleven Mattijs en Lucas verder tokkelen, verloren in hogere sferen, terwijl wij onze hoofden op elkaars dijen te rusten legden in een volmaakte kring van hippieliefde.

De volgende dag bracht ons naar een tweede orgasme. Zonder duidelijk plan wandelden we de vulkanische heuvel op om een uitzicht te krijgen over de vallei. We volgden een wandelpad dat aangegeven was met een arendshoofd. Het was geen toeval. Onderweg terug van de oogst in België had ik, half slapend, Charlotte al aan Ali horen vertellen over de cyclus van de slang, de jaguar, de kolibri en de arend. Het komt er op neer dat je leven in dit soort cycli verloopt waarbij je telkens door een fase van de slang moet gaan, waarbij je dode huid verliest, laag bij de grond zit; vervolgens je innerlijke jaguar moet vinden om strijd te leveren voor de dingen die je wil; dan in de fase van de kolibri terechtkomt waarin je geniet, aan de bloemen ruikt en tenslotte, in de laatste fase als een arend boven alles uit toornt om te overschouwen welke weg je hebt afgelegd, welke transformatie je hebt ondergaan en wat voor moois je in de wereld hebt gebracht.

Voor Charlotte was dit zo’n arend moment en toen we boven op de berg uitkwamen bij een oude stenen wachttoren was het voor iedereen duidelijk dat we hem beklimmen moesten, zo hoog mogelijk moesten zijn. In de top van de toren, hoog in de blauwe lucht, genoten we van de aanraking van de wind en de zon op onze huid. Charlotte en Ali improviseerden een melodie die me zo in vervoering bracht dat ik ervan moest huilen. De onwaarschijnlijke schoonheid van de ervaring van mijzelf te zijn, dit leven te leiden en momenten als deze te mogen beleven, drong tot me door. Dit was een moment voor de eeuwigheid. Alsof heel de omgeving, de geologische processen die de vallei en de heuvels gevormd hadden, de wilgenboom, de bloemen en het slaperige dorpje Zierenberg zelf op ons hadden liggen wachten, reeds miljoenen jaren lang aan een symfonie bezig waren waar wij nu voor altijd deel van uitmaakten, waarvan ons lied het voorlopige hoogtepunt was.

Terug beneden, aan de voet van de toren, gaf Lucas ons elks een amulet van bamboe en macramé die hij in alle stilte voor ons had zitten maken de laatste paar avonden. Het voelde als een ritueel, een talisman die ons er straks, wanneer we uit de droom zouden ontwaken, aan zou moeten herinneren dat we dit moment, deze Zierenberg Sonata, effectief samen beleefd hebben. Dat het gebeurd is en op een manier voor altijd aan het gebeuren zal zijn, daar waar de tijd geen voorbijgaand moment is maar een plek die je steeds opnieuw kan bezoeken.

The Zierenberg Sonata

English translation

I thought I already knew a thing or two about dreams; about how you can dream your life and then go on to live those dreams. For a year and a half I had traveled through South America, following nothing but my own desires and longings. To learn how to dream again, you first of all have to be free. And for that, you need to spend a lot of time with yourself. Free yourself from all the expectations others have consciously or unconsciously imposed on you. Slowly, in that silence, your deepest soul’s desires begin to bubble up. They start small, but grow as you feed them. Until, at some point, you begin to fulfill dreams you never thought possible. And when you start living those kinds of dreams, life itself begins to feel like a dream. Nothing is coincidental anymore; everything seems to move along with you. You are the undisputed main character of your own life. The universe works with you.

After fulfilling a number of big dreams, dreams that had taken me to the other side of the world, far away from friends and family, free, but detached. I had decided to devote myself to a number of small, modest, slow dreams that would allow me to stay rooted, to be present for the people, the community around me.

It was at such a moment that I ran into Charlotte again. She told me about her dream. Together with an Iranian musician, she had submitted a proposal for a wind art festival somewhere in Germany. It was to be a bamboo temple that would whistle in the wind. I knew nothing about bamboo, and even less about whistling. And the only wind art I make are the very loud, drawn-out farts I can produce on particularly blessed days. But I was intrigued by her philosophy. Spending time building in the elements. Connecting with the landscape. Bringing people together consciously. Creating something together, without pressure, playfully, inviting everyone to be themselves and to put something of themselves into the project. It promised to be an experiment in anarchistic organization. I was sold. I decided to follow a dreamer and ended up in a dream. And that’s how I learned that you can also dream together—and that those dreams can be just as intense, wondrous, and mysterious as the big dreams I had come to believe either push people away or suffocate them.

The wind art festival took place in Zierenberg. A picturesque village in central Germany, located in an idyllic valley surrounded by hills and forest. The hill on which we would build our bamboo temple was magnificent. A rolling flower meadow bathed in sunlight, an old willow tree offering shade, a volcanic hill from behind which the moon would appear in the evening, and down in the valley, Zierenberg, calm and timeless, dominated by its sturdy church tower. This hill became our sanctuary. Here we would build our temple while letting our skin tan under the sun. Here our souls would touch.

Ali had developed the project around a poem by Rumi. He had grown up with those poems. He had fled from Iran to Belgium to avoid military service. He suffered greatly from homesickness and was also dealing with a broken heart. Perhaps that’s why he chose the poem about the reed bed, a poem about uprooted reeds crying in the wind, longing for the lost safety and unity of the reed bed from which they were harvested.

Ali was there when we went to harvest the bamboo in Belgium. He was late, and when he finally arrived it was as if he carried the weight of the world on his shoulders. But as he worked with us, wrapped in his melancholic silence, stripping the harvested bamboo of leaves and twigs with long strokes of his machete, something in him changed. As if he had polished not only the bamboo, but also his soul during that meditative, monotonous labor. He had been paralyzed by doubt. One day of wholesome work on a sun-drenched summer day had cleared the fog in his mind.

The doubt was still strong during those first few days on the hill. Ali had taken the initiative, discovered this strange art festival, and convinced Charlotte to submit a proposal with him. But Charlotte was the driving force that had brought us to Zierenberg. It was she who had gathered a team of volunteers, drawn the plans, and solved the logistical puzzles to turn the concept into a project. The contrast in energy could hardly have been greater.

Charlotte full of passionate conviction, her doubts hidden from everyone; Ali despondent and consumed by despair, wondering out loud whether there would be enough wind to make his bamboo-carved flutes sing. An amusing duet between an insistent flamenco guitar and a hesitant bassoon.

But on the third day, the day the full moon broke through the clouds, we heard the flutes sing for the first time. Something essential shifted in that moment. I witnessed Charlotte and Ali sitting side by side among the forest of bamboo flutes. How it began to sing when a strong evening breeze arose. How it sounded exactly like the lament of reeds longing for their motherly reed bed. How perfectly it expressed Ali’s feelings of melancholy and longing. And how brightly the moon shone from behind the fast-moving veils of clouds. A cloud in the shape of an eagle. An owl calling in the distance and a tender conversation between two friends. Two reeds from another reed bed, uprooted, finding a bit of home in each other in a moment forever etched into the soul.

I was a witness to all of this, and I swear: what happened there was nothing less than pure alchemy, the alchemy of the soul; the merging of two souls that lift each other up, transforming into something more. Charlotte, the radiant moon giving Ali the courage to sing his song. Ali’s song teaching the moon to feel again. Two artists forging friendship into art and art into friendship. Two people making each other more human.

The bamboo temple consisted of six domes, each dome made of three arches. Six domes for six people: Charlotte, Ali, Lucas, Silas, Mattijs, and myself. Just like the six people, the six domes each had their own personality. They were not only harvested, tied, and bent with our own hands, they were also impregnated with meaning through the moments we created around and beneath them.

The first dome was named Slightly Stupid. It was less round than the others. There was a bit of a kink in it. It came to symbolize those first hesitant evenings of getting to know each other, the emergence of the first inside jokes - slightly stupid - the light, self-deprecating silliness that gave everyone the space to be themselves.

The idea of the temple was that the domes move in a spiral toward a center: the eye of the storm. And just as the storm intensifies the deeper you go into it, so too did the moments we shared in and around the newly built domes grow deeper and more intimate over the days.
The second arch was completed on the day of the full moon. Her name became Luna. At sunset, Ali played his transverse flute beneath her arch. The rest of us watched in awe. It began to dawn on us what an unbelievably beautiful place this Zierenberg was, and what powerful magic was unfolding here.

Under the third arch we had a party. It was here that Charlotte gave us our T-shirts. It was the birth of her company. Of nest.
It was also the first evening we looked through Mattijs’ telescope. We saw the moon in all her rugged glory. We saw Saturn with its ring and its moons. I saw Iapetus, an icy moon wandering through the vast nothingness three and a half million kilometers away. And we also found the Hercules cluster: a collection of two hundred galaxies, 25,000 light-years away from us.
We looked long and far into the bottomless depths of the universe and discovered that the more you learn to look, the more stars you see. The same principle applies to people: the longer and more attentively you keep looking, the more human, the more beauty you see.

The flowers on our hill also seemed to increase in number every day. Day by day I became more aware of the wind. How it made the blades of grass and flowers sway, almost dance. How it caressed my skin, made the leaves of the trees rustle, each leaf its own story, its own sound.
On a scorching hot day we sought shade under the wide crown of the old willow tree. Grateful for the shelter it gave us, we admired this mysterious being. Silas explained how trees do not grow from the ground, but from the air. That they consist for more than eighty percent of carbon they extract from the air by breaking down the carbon dioxide carried to them by the wind. It was the first time I realized that trees are made of air and sunlight. The longer I live in this world, the more I feel like I understand nothing, as if I’m in the middle of a long-winded, absurd joke that is being invented as it’s told, and whose punchline keeps eluding me.

And while we sat there together in the shade beneath its branches, this old willow, this creature of the wind, witnessed how Ali descended like a prophet of the hill, joined us, and read each of us a poem by the Sufi mystic Hafez. Each poem a reminder of who we have always been and what we came to do in this life. An appeal to the truth we already knew because it lives within us.

The fourth dome was raised on the eve of the night when the Perseid meteor shower was at its peak. It was the warmest day of our German summer and we spent the night under the open sky. The dome was our canopy bed. The flutes were attached between the different arches in such a way that they mirrored the constellation Cassiopeia. We saw more shooting stars than we had wishes. The overwhelming richness of the moment had overtaken our desires. The world was perfect, if only for a while.

And so the days drifted by. From one moment of perfect togetherness to the next. Starting the day together by doing the dishes, making coffee, buying bread, preparing breakfast… It was as if every mundane action became richer, more meaningful with each passing day. The love between these six randomly gathered people grew alongside the bamboo temple we were building. The food tasted better and better, the conversations grew deeper, the hugs and moments of eye contact became longer and more intimate; the jam sessions and improvisations increasingly moving, beautiful, and liberating - and my fart jokes increasingly worse - yet that didn’t stop anyone from continuing to laugh heartily at them. We were all entangled in a melody, a drawn-out improvisation in which all our respective personalities came fully into their own in perfect harmony.

We built the last two arches even more consciously than the previous ones. Enjoying every action, knowing it would soon be over. Because the end was approaching. Lucas and Silas built a meditation platform. Lucas equipped the final dome - the eye of the storm - with a macramé headrest. He did it with such devotion and care that it became a declaration of love.

On our last evening together, we made music deep into the night. This time there were no musicians and spectators, everyone was both at once. Even a clumsy musical illiterate like myself managed to join in. And even the sometimes so reserved young samurai-Viking-god Silas openly revealed his big heart and sang his own song at the top of his lungs. And perhaps most wondrous of all: Lucas and Mattijs, who on the first evening had both been too shy to even hold a guitar, intimidated by Ali’s genius and Charlotte’s fire, now blossomed into true guitar gods who carried us into a Dionysian trance. Sitting in the center of the spiral of bamboo shells, we reached a climax together—a musical orgasm that was the culmination of nearly two weeks of working, living, and enjoying together. When we had finished singing, Mattijs and Lucas kept playing, lost in higher spheres, while we rested our heads on each other’s thighs in a perfect circle of hippie love.

The next day brought us to a second orgasm. Without a clear plan, we walked up the volcanic hill to get a view over the valley. We followed a hiking path marked with an eagle’s head. It was no coincidence. On the way back from the harvest, half asleep, I had already heard Charlotte telling Ali about the cycle of the snake, the jaguar, the hummingbird, and the eagle. It comes down to the idea that your life moves through these kinds of cycles: first a phase of the snake, where you shed your dead skin and stay close to the ground; then you find your inner jaguar to fight for the things you want; then you enter the phase of the hummingbird, where you enjoy and savor the flowers; and finally, in the last phase, like an eagle, you rise above everything to reflect on the path you’ve taken, the transformation you’ve undergone, and the beauty you’ve brought into the world. For Charlotte, this was such an eagle moment, and when we reached the top of the hill at an old stone watchtower, it was clear to everyone that we had to climb it, go as high as possible.

At the top of the tower, high in the blue sky, we enjoyed the touch of wind and sun on our skin. Charlotte and Ali improvised a melody that moved me so deeply I had to cry. The improbable beauty of the experience of being myself, of living this life, and of being able to experience moments like this, hit me. This was a moment for eternity. As if the entire environment, the geological processes that shaped the valley and the hills, the willow tree, the flowers, and the sleepy village of Zierenberg itself had been waiting for us, had been composing a symphony for millions of years of which we now became a part forever, and of which our song was the provisional climax.

Back down at the foot of the tower, Lucas gave each of us an amulet of bamboo and macramé that he had quietly been making for us over the past few evenings. It felt like a ritual, a talisman that, once we would awaken from the dream, would remind us that we had truly lived this moment, this Zierenberg Sonata, together. That it happened and that, in a way, it will always be happening, in that place where time is not a passing moment but somewhere you can return to again and again.

black blue and yellow textile
black blue and yellow textile